Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Gaasperplas is een heldere diepe plas (35 meter), ontstaan tussen 1960 en 1980 als gevolg van zandwinning. Aan de oostzijde van de plas is sprake van sterke kwel, aan de westzijde van wegzijging. Overall is de plas ongeveer kwelneutraal, een doorstroomplas. Om de plassen op peil te houden laat AGV in de zomer water in vanuit het Gein. Ten noorden van de Gaasperplas ligt het Gaasperpark. In het park liggen verschillende watergangen en deze staan in open verbinding met het water in de plas. De afvoer van overtollig water uit het park verloopt via de plas naar het gemaal langs de Gaasp. Ook het perceelswater van het park spoelt, direct of via de watergangen af naar de plas.
Gaasperplas (NL11_3_2) heeft watertype “matig grote diepe gebufferde meren” (M20) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 63 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2220-EAG-1 (Zuid Bijlmer, Gaasperplas)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Amsterdam. Het waterlichaam Gaasperplas heeft de status KRW waterlichaam en zwemwaterlocatie en is in eigendom van Groengebied Amstelland, Gemeente Amsterdam.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Gaasperplas (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

De plas is een heldere diepe plas, met een redelijk diverse onderwaterplantengemeenschap, maar een minder goed ontwikkelde emerse vegetatiegemeenschap. De score voor waterflora is weliswaar matig, maar wel verbeterd in 2018 ten opdoorzichte van eerdere jaren. Er is sprake van een verbetering in de submerse vegetatie: in 2018 komt deze tot 4,5 m diepte voor, dat is meer dan in 2013. In 2018 kwam lidsteng in hoge bedekkingen voor. Verassend genoeg zien we de zeer hoge belasting uit het verleden niet terug in de ecologische toestand in het verleden. Er zijn altijd relatief weinig algen gemeten in de plas, maar de hoeveelheid algen neemt wel af. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een positieve trend (0.13 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont geen trend. Fosfor gaan achteruit in de afgelopen planperiode (2015-2020). Fosfor laat echter een dalende trend zien (vooruitgang) tussen 2006 en 2020. Stikstof en pH dalen (vooruitgang) ook gedurende de afgelopen planperiode.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze kwaliteit is de slecht ontwikkelde soortensamenstelling van onderwaterplanten in het waterlichaam. De matige soortensamenstelling is het gevolg van te hoge voedselrijkdom in de plas. Bovendien is de plas gevoelig voor fosforrijk grondwater en de concentraties fosfor nemen toe in het grondwater, waardoor de huidige ecologische kwaliteit kan verslechteren. Er bevinden zich veel bomen- en struiken langs de oevers, er is weinig ondiep oppervlak aanwezig in de plas en een natuurlijk verloop van de oevers van land naar water ontbreekt door toepassing van harde beschoeiing.

Maatregelen op hoofdlijnen
Hoewel de belasting van de plas enorm is gedaald zijn er aanvullende maatregelen nodig om de kwaliteit van onderwaterplanten te verbeteren en een verslechtering van de ecologische toestand te voorkomen. De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de fosforbelasting (bijvoorbeeld door afkoppelen van afstromend water vanuit het stedelijk gebied) en het verbeteren van de habitatomstandigheden (bijvoorbeeld door het aanleggen van ondiepe zones en het verwijderen van boom- en struikopslag).

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Chlorofyl-A concentraties (algen) liggen praktisch altijd onder de detectiegrens, maar de matige soortensamenstelling van ondergedoken waterplanten is het gevolg van te hoge voedselrijkdom in de plas. De fosforbelasting ligt volgens de waterbalans boven de toelaatbare belasting (Vollenweider). De voornaamste bron is uitspoeling uit het park ten noorden van de plas. Ook het inlaatwater in de zomer heeft een behoorlijk aandeel in de fosforbelasting van de plas. De inlaat zit nu op een ongelukkige locatie. Al het water dat voor de gehele polder Zuid Bijlmer wordt ingelaten stroomt door het park en de plas heen. De plas is ook gevoelig voor grondwater en fosforconcentraties in het grondwater nemen toe. Het grondwater is ijzerrijk en bindt fosfor in de waterbodem. Fosfor wordt op dit moment dus vastgelegd in de plas. Als de waterbodem zuurstofloos wordt komt dit fosfor echter weer vrij en kunnen de hoeveelheden algen en epifyten toenemen. Bronnen vormen op de lange termijn dus een risico wanneer de waterbodem zuurstofloos wordt. Om het operationeel waterbeheer te optimaliseren moeten we weten welke bron van inlaatwater voorkeur heeft (stedelijk gebied, Gaasp).
esficon Lichtklimaat vormt mogelijk een probleem. Ondergedoken waterplanten komen voor tot op grote diepte en er valt meer dan 4% licht op 4 meter waterdiepte. Op 7 meter waterdiepte valt echter minder dan 4% licht. De biodiversiteit van waterplanten is laag in de plas, mogelijk wordt dit veroorzaakt door korstvormige algen (perifyton) die op planten groeien het lichtklimaat voor waterplanten belemmeren.
esficon Productiviteit bodem vormt geen probleem. De zandbodem is zichtbaar zonder organische sliblaag. Op grote diepte is de bodem matig voedselrijk (900-2000mg/kg ds). Gegevens over voedselrijkdom van de bodem in de ondiepe zone (< 6m) ontbreken. De zandbodem is wel zichtbaar, dus er is geen aanleiding om er vanuit te gaan dat de waterbodem een risico is voor woekerende waterplanten.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Emerse vegetatie lijkt qua bedekking achteruit te gaan. Er is sprake van veel boom- en struikopslag langs de oevers. Ondiep oppervlak en een natuurlijk verloop van de oevers van land naar water ontbreekt door toepassing van harde beschoeiing.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. Er is geen in- en uitrek van vis vanuit de boezem naar de plas mogelijk, maar uit het in 2018 en 2019 uitgevoerde onderzoek blijkt dat gemaal Zuid Bijlmer het aanbod van vis is wel heel laag. Er was nauwelijks aanbod van vissen groter dan 20 cm (en geen enkele aal tijdens het onderzoek). Het gemaal is niet visvriendelijk en niet vispasseerbaar, er wordt wel schade en sterfte veroorzaakt bij kleine vissen die worden meegezogen. Het visveilig maken van het gemaal is nodig vanuit onze zorgplicht, maar draagt dus niet bij aan het verbeteren van de visstand in de plas.
esficon Verwijdering vormt geen probleem. Het is onduidelijk wat het effect is van het huidige maaibeheer. Dit moet nog geëvalueerd worden.
esficon Organische belasting vormt lokaal een probleem. Lokaal is er sprake van algenbloei door bladinval. Er vindt organische belasting plaats vanuit het park, de hondenzwemplek, de jachthaven en door de boom- en struikopslag langs de oevers.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. Het is geen risicogebied voor lozingen.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Gaasperplas: invloed maaibeheer op vegetatie en invloed nalevering diepe onderwaterbodem en Gaasperpark op de fosforbelasting (2015).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Afkoppelen Gaasperpark en woonwijk Nellestein Zorgen dat er geen voedingsstoffen uit de wijk Nellestein en het Gaasperpark naar de Gaasperplas gaan. Hiervoor is het nodig om een scheiding te maken om de waterstroom rechtstreeks naar de boezem te leiden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Verplaatsen van de inlaat polder Zuid Bijlmer Al het water dat in de zomer wordt ingelaten stroomt nu door het Gaasperpark en de Gaasperplas. De wens is om de inlaat te verplaatsen naar het zuidwesten van de polder, zodat het inlaatwater niet door de plas hoeft te stromen en er alleen water wordt ingelaten om de plas op peil te houden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Beperken belasting Gaasperplas Het gaat om het uitvoeren van twee maatregelen:- Het aanleggen van een bypass voor afvoer van stedelijk water naar het gemaal,- Het verminderen van de afstroom van gebiedsvreemd water naar de plas door de aanleg van een dijk met vrijkomende grond vanuit de aanleg van de bypass. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Verwijderen van boom- en struikopslag langs de oevers van de Gaasperplas De maatregel betreft het verwijderen van boom- en struikopslag langs de waterlijn. Deze maatregel heeft ook invloed op habitatgeschiktheid (ESF4). Bomen die onderdeel van het parklandschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met gemeente Amsterdam en Groengebied Amstelland hoe deze maatregel in het kader van de uitvoering van het Toekomstplan Gaasperplas opgepakt kan worden. Gemeente Amsterdam 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Creëren van een natuurlijk verloop van oevers ipv harde beschoeiing op de overgang land-water Aan de gemeente vragen wij om harde beschoeiingen waar mogelijk te vervangen door natuurvriendelijke oevers. Dit kan bijvoorbeeld door vooroevers aan te leggen om luwte te creëren en zo de vegetatie te beschermen tegen golfslag. Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Plan structuurversterking Gaasperplas ism gebiedsontwikkeling De gemeente Amsterdam heeft in samenwerking met AGV een plan opgesteld voor structuurversterking van de Gaasperplas. Dit houdt onder ander in dat: er ondiepe zones worden aangelegd. Deze worden verbonden met de plas mits er geen bomen langs de waterlijn staan, geen vaarbeweging mogelijk is en dat daar waar er ondiepe zones gegraven moet de voedselrijkdom van de toekomstige bodem worden bepaald. Omvang onbekend, maar vast niet groot. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Ecologisch onderhouden oevers Gaasperplas Het natuurvriendelijk onderhouden van de oevers van de plas door het verwijderen van boom- en groenopslag op de oevers. Groengebied Amstelland 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken KRW-inrichtingsopgave in combinatie met woningbouw Het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden om de inrichtingsopgave van 6,3 hectare natuurvriendelijke oevers in combinatie met woningbouwopgave Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Onderzoek vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen Gemaal Gaasperplas is niet visvriendelijk en niet vispasseerbaar. Het aanbod van vis is wel heel laag. Een viswering in de Gaaspersingel zou een overweging kunnen zijn. Voor aal is de vraag of er verbinding nodig moet zijn. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Het achterland, het park, staat in open verbinding en vormt een schuilplaatst voor fauna, daarom is dit gebied nu ook als waterlichaam begrenst. Het achterland heeft echter geen eigenschappen van een diepe plas en is daarom van het waterlichaam afgehaald.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Er is een update van de waterbalans nodig, o.a. EAG Gaaspersingel, toenemende [Cl] in de plas sinds isolatie, invloed grondwater. Aandacht [Cl] en [P] in grondwater, zie GGP057; chlorideconcentratie van kwel moet hoger, onverhard oppervlak moet kleiner.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.